« Bijladen (06-2005) | Hoofdpagina | Openheid van risicozaken (08-2005) »
08 augustus 2005
Gouverneur of Commissaris van de Koningin? (07-2005)
Soms word ik er op aangesproken dat de titel gouverneur bij hen 'onderdanige associaties' oproept. Twan Mientjes van het Dagblad de Limburger en Leo Hauben van L1 hebben daarover gepubliceerd. Naar mijn opvatting is dat in het geldend staatsrecht van het Koninkrijk der Nederlanden absoluut niet het geval. Wij kennen gouverneurs in de Nederlandse Antillen en op Aruba. Dit zijn al lang geen gebieden meer waarvan het interne bestuur vanuit Den Haag geregeld wordt, maar Koninkrijksdelen die zichzelf besturen.
Sommigen vinden namelijk dat 'gouverneur' moet worden afgeschaft en anderen vinden juist van niet. De nieuwe provinciewet van 1850 die de titel gouverneur wijzigde in Commissaris des Konings gold voor alle provincies, dus ook voor Limburg. Dat men in Limburg bleef spreken van gouverneur, hangt waarschijnlijk samen met de functienaam in het naburige Belgie, waarop de ogen van de Limburgse politiek-maatschappelijk elite (die zich met name in Zuid-Limburg in die tijd ook nog eens bediende van het Frans) gericht bleven.
Het blijft buitengewoon dat de functieaanduiding gouverneur overeind bleef. Dat zegt echter niets over de huidige aanhankelijkheid jegens Kroon en vaderland, maar wortelt in ons bijzonder boeiend regionaal verleden. Historisch gezien neemt Limburg in vergelijking met de overige provincies echt een andere positie in: de verhouding tussen Limburg en de Nederlandse natiestaat is een geheel andere dan de relatie tussen de overige provincies en Nederland. Limburg is in een veel later stadium deel gaan uitmaken van Nederland en was bovendien tussen 1839 en 1867 niet alleen onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, maar ook (grotendeels) van de Duitse Bond. In de beginperiode van onze huidige provincie na 1839 nam Limburg nog op andere belangrijke terreinen een buitengewone positie in: er was een afzonderlijk fiscaal regime met betrekking tot de grondbelasting.
Bij de naamsverandering door de provinciewet van juli 1850 had de aanduiding 'commissaris' bovendien negatieve connotaties. De aanduiding herinnerde aan de turbulente periode van de Belgische omwenteling en de roerige periode in Duitsland (eind jaren veertig 19e eeuw), waarbij de positie van Limburg onzeker was: moest het gewest bij Nederland, bij België of bij Duitsland gevoegd worden?
Overigens gaf de nieuwe naam in 1850 aan dat de commissaris in het nieuwe staatsbestel (grondwet 1848) in geen geval als 'man van de Staten’ mocht worden beschouwd. Hij was een man (/vrouw) des konings of beter: een man van de regering (toen Thorbecke). Misschien dat de nieuwe naam juist exacter liet zien dan voorheen wat nu eigenlijk zijn taak hoorde te zijn: ''gouverneren", meebesturen, was voor de liberalen een taboe. De nieuwe commissaris mocht eigenlijk alleen toezien op het bestuur van de Staten als een soort rijksrentmeester.
De laatste decennia is er tenslotte sprake van een staatsrechtelijke verschuiving van voorheen nadrukkelijk 'rijksheer' naar met name de 'primus interparis' van het provinciebestuur. De nieuwe wijze van benoeming geeft hier nadrukkelijk richting aan.
Gepubliceerd door Beheerder om 08 augustus 2005 11:06