« Etappe 7: Veiligheid | Hoofdpagina | Luisterend door Limburg »
19 oktober 2007
Etappe 10: Steden en hun omgeving
Deze middag staat de laatste etappe van mijn wandeltocht door Limburg op het programma. Samen met een aantal lokale bestuurders loop ik door het Zuid Limburgse Heuvelland, van Bemelen naar Rijckholt. Het onderwerp van gesprek is Steden en hun omgeving. Ik spreek over dit thema met de burgemeesters van Voerendaal (Dieudonné Akkermans), Maasbree (Gerard Rabelink), Roerdalen (Ellen Hanselaar-van Loevezijn), Gennep (Marlies de Loo), Margraten (Harrie van Beers) en met wethouder Pé Diederen van Heerlen. Zij vormen samen met de vaste crew (Peter Schrijen en Edmond Staal) het wandelgezelschap.De centrale stelling is dat de plattelandsgemeenten met de rug naar de stad staan en de stad met de rug naar haar landelijke omgeving. Alhoewel een dergelijke stelling vooral bij de bestuurders van de kleinere gemeenten in eerste instantie een ontkenning oproept, in de zin van “we doen toch al zo veel “ of “de steden tonen geen begrip”, blijkt doorvragend dat er vaak sprake is van een soort gijzeling in kleinschaligheid. Vanwege hun kleinere schaal zijn de lokale bestuurders en zeker de raadsleden electoraal vooral gericht op de kring van bewoners die in de gemeenschap actief zijn. In de omgeving van de steden zijn dat vaak activiteiten in de vrijetijdssfeer, omdat de bewoners voor een groot gedeelte voor hun werk op de stad zijn aangewezen. De gehechtheid aan lokale voorzieningen is groot bij deze groep. Dit leidt tot veel politieke aandacht voor het behoud van voorzieningen van “vroeger” en verzet tegen vernieuwing. Veel jonge bewoners van de dorpen verzetten zich hiertegen, kiezen voor een gerichtheid op de stedelijke voorzieningen, verliezen het contact met de gemeenschap en pendelen voor allerlei activiteiten (school, muziekonderwijs, film) naar de stad.
Het behoud van veel voorzieningen leidt niet alleen tot meerdere kampen in een dorp, maar legt ook een onevenredig groot beslag op de beperkte lokale middelen. Met als gevolg dat er voor het meebetalen aan bovenlokale zaken nauwelijks ruimte is en dat daar dus ook politieke verantwoordelijkheid voor gemeden wordt. Niet alleen lokale bestuurders maar ook lokale (horeca-)ondernemers durven uit vrees voor kritiek of door gebrek aan moed het lokale niet te overstijgen. Terwijl de echte toekomstige uitdagingen voor de plattelandsbevolking absoluut niet zonder de stuwende kracht van de steden tot stand komen. Vaak mondt deze weerstand uit in een structuurdiscussie en waart al vrij snel het herindelingspook rond. Het grote probleem is dat dan de kansen voor de regio en de inhoud niet meer leidend zijn, maar juist alle oude sentimenten tussen stad en platteland worden opgeroepen en bovendien de onderlinge verhouding tussen de kleine gemeenten onderling op scherp komt te staan.
Vanuit de stad geredeneerd zijn er grote belangen bij een omgeving van hoge kwaliteit. Zowel het imago van de stad als de leefruimte van haar inwoners wordt in belangrijke mate medebepaald door de mogelijkheden van de omgeving. Heerlen heeft belang bij een groene Parkstad, Maastricht bij een hoogwaardig toeristisch Heuvelland, Venlo bij goed evenwicht tussen tuinbouw, natuur en landschapskwaliteit. Er is dan ook alle reden om de krachten te bundelen en de lokale trots van mensen op hun stadswijk en dorp aan te grijpen om naar buiten niet behoudzucht maar ondernemingszin, openheid voor het nieuwe en oog voor kwaliteit uit te stralen.
Ergens in het Savelsbos slaat het wellicht wat sombere verhaal om in het inzicht dat we juist samen veel te bieden hebben, in het besef dat er iets moet gebeuren, dat lokale identiteit niet strijdig is met herindeling, dat er ook ambtelijk veel meer samen opgetrokken kan worden, dat we groter moeten denken en minder in formele verbanden onze posities moeten verdedigen.
Met deze mooie gedachte arriveren we bij ons einddoel: het koetshuis van kasteel Rijckholt. Daar worden we buiten opgewacht door Odile Wolfs die speciaal voor de gelegenheid is afgereisd naar “haar” Rijkckholt. We worden welkom geheten door burgemeester Pelzer van Eijsden en samen met haar heffen we het glas.
De wandeltocht zit erop. Tien etappes leverden veel interessante en inspirerende gesprekken op, met vele mensen die op de verschillende terreinen van onze Limburgse samenleving actief zijn. Ik kijk met groot genoegen en voldoening terug op de afgelopen week: vijf dagen luisterend door Limburg, door de prachtige en gevarieerde natuur van onze provincie.
Etappe 9: Ontgroening en vergrijzing
De wandeling start vandaag op voor mij bekend terrein. Het terrein rond Steenfabriek Plinthos in Sweikhuizen was in de jaren ‘60 en ‘70 een ontmoetingsplek voor veel jongeren uit de buurt. Naast spelen en kattenkwaad uithalen, zijn er ook heel wat romances opgebloeid onder de rook van de schoorsteen van deze steenfabriek. Voor de waereldsjtad Gelaen is dit een markante plek en zoals dat dan ook hoort, is de entourage vastgelegd in de bekende carnavalssjlager “Jong ligk neet te zanike, kom mit mich nao Danike”. Een prachtige plek en een mooi verhaal om de negende etappe te starten, onder leiding opnieuw van Edmond Staal. Het thema is ontgroening en vergrijzing.
We beginnen aan een wandeling die ons voor het eerst door het glooiende landschap van Limburg voert. Ik word vergezeld door wandelaars die allemaal in hun werk bezig zijn met het nadenken over de effecten van ontgroening, vergrijzing en bevolkingsdaling.
Zo lopen John Monsewije en Rob Vastbinder mee. De ontgroening en bevolkingsdaling worden het eerst “gevoeld” in het onderwijs en zij weten daar alles van. Hans Laudy van woningcorporatie Weller heeft zijn werkterrein in Parkstad Limburg, de koplopersregio als het om bevolkingsdaling gaat. Zo ook Marie-Jo Sproncken. Haar werk voor Bureau Parkstad staat voor een groot deel in het teken van deze demografische ontwikkelingen. Van Eke Zijlstra van het Atrium Medisch Centrum Parkstad hoop ik zijn zienswijze te horen over demografie en zorg. Waarnemend burgemeester Vos uit Nuth ziet de bevolkingsdaling ook in zijn gemeente optreden. Tenslotte mag ik van Wim Derks, nota bene op zijn laatste werkdag bij de Universiteit van Maastricht, nog alle feiten en wetenswaardigheden vernemen die hij als expert op dit terrein inmiddels heeft vergaard.
Dat we het Maasdal uitlopen, merken we al gauw aan het gaandeweg stijgen van de weg. Er blijft genoeg lucht over voor een goed gesprek. Met Marie-Jo Sproncken raak ik al snel aan de praat. Ik merk dat de regio heel intensief met het onderwerp aan de slag is. Projecten als Krimp als Kans en de levensloopbestendige wijk hebben een praktische kant, maar zijn vooral ook bedoeld om als voorbeeld te dienen voor anderen. Het bundelen van de (gemeentelijke) krachten in Parkstad om de kansen te benutten die krimp met zich meebrengt, is heel belangrijk. Krimp is een ontwikkeling waar we samen én integraal op moeten inspringen.
Wim Derks is expert op het gebied van demografische ontwikkelingen en weet bovendien nog veel te verhalen over het prachtige landschap waar we doorheen lopen. Zijn wetenschappelijk voorwerk op het terrein van ontgroening en vergrijzing heeft het onderwerp onder de aandacht gebracht. Op het gebied van de gezondheidszorg, aldus Eke Zijlstra, is er als gevolg van de demografie een aantal speerpunten aan te wijzen. Meer ouderen, die ook nog eens ouder worden, en een gelijktijdige afname in het aantal jongeren dwingt ons om goed na te denken over de arbeidsmarkt (zorgpersoneel en zorgverleningconcepten) in de zorg. Innovatie is hard nodig. Om topzorg te kunnen leveren, moeten we de top van het medisch personeel naar Limburg halen. Daarvoor moeten we Limburg vermarkten. Het heeft wel de juiste aantrekkingskracht, maar dat mogen we best wat harder naar buiten roepen.
In het onderwijs wordt de ontwikkeling goed gevoeld, zo hoor ik van Rob Vastbinder en John Monsewije. Zij ronden momenteel samen met de Provincie een onderzoek af waarmee goed inzicht ontstaat in de effecten van bevolkingsdaling op de kwaliteit van het onderwijs en de gevolgen van de daling voor de financiën. Het onderzoek vormt een stevige basis voor een gezamenlijk lobby naar Den Haag. Naast deze demografische ontwikkeling speelt de grensligging van Limburg het onderwijs ook parten. Vooral beroepsopleidingen zijn in België goed en goedkoop te volgen. De taal vormt geen barrière. We praten nog even over de schaalgrootte van de scholen. Deze is van dien aard dat onderwijsinstellingen met wel 10 gemeenten aan tafel moeten, met elk een eigen, bij de gemeente passend onderwijsbeleid. De vraag welk schaalniveau passend zou zijn, lossen we vandaag niet op.
Na de welkome korte pauze met koffie, met uitzicht op de watertoren van Schimmert, is het de beurt aan waarnemend burgemeester Vos van de gemeente Nuth om het woord te nemen. Ook Nuth ziet de ontgroening en de vergrijzing in haar kernen. De op handen zijnde ontwikkeling van twee brede scholen werpt de vraag op hoe je een dergelijke investering verantwoord kunt nemen, wetende dat het aantal jongeren afneemt. Functiemenging, nieuwe bouwwijzen, herbestemmingmogelijkheden: het zijn mogelijke oplossingen. De behoefte onder de wandelaars is voelbaar om deze kennis en ervaring te bundelen en beschikbaar te stellen. Een gedeelte van de groep maakt dan ook al deel uit van het kennisknooppunt bevolkingsdaling. Een knooppunt dat naast het opzetten van een website, zich ten doel heeft gesteld om mensen vanuit alle sectoren bij elkaar te brengen om de ervaringen te delen. Ook wil het knooppunt krachten bundelen om zo samen nieuwe concepten te bedenken die de gevolgen van bevolkingsdaling ombuigen tot kansen. Hans Laudy werkt daar al geruime tijd aan. Hij is één van de leden van het knooppunt en vindt het een goede zaak dat ontwikkelde kennis door het knooppunt actief verspreid wordt. Alleen door al hetgeen we weten belangeloos met elkaar te delen, kunnen we er samen aan werken. Woningcorporaties staan voor een grote opgave. De vraag naar veel woningen is achterhaald. De vraag naar bepaalde type woningen groeit. Dat betekent dat naast een hele specifieke bouwopgave, Parkstad bijvoorbeeld ook een flinke sloopopgave zal hebben. Financieringsmechanismen zijn daar niet op geënt.
We verbazen ons onderweg nog over een enorme (lelijke) schuur naast een monumentale boerderij op een markant punt in het landschap. Eigenlijk zou je eens moeten gaan nadenken over schuren die het karakter van het landschap geen geweld aan doen, maar eerder de identiteit versterken.
De tijd vliegt als de gesprekken en het gezelschap boeiend zijn. De etappe van rond de 17,5 kilometer nadert haar eindpunt en reeds van verre zien we Chateau Sint Gerlach liggen. Nog even door het natuurgebied rond dit kasteel waar we vervolgens warm worden onthaald door mevrouw Oostwegel.
Gepubliceerd door Beheerder om 19 oktober 2007 10:06